dinsdag 14 december 2010

De Reulver Enschede Zuid en Werkbeleving 21e eeuw


In 2005 toen ik nog werkte als stadsdeelmanager in Enschede, speelde de revitalisatie van het binnenstedelijk bedrijventerrein De Reulver. In een sessie met de stakeholders vroegen we hoe bedrijvigheid er in de nabije toekomst uit zou moeten zien. Voor het schildersbedrijf dat op De Reulver gevestigd was, ging het om aspecten als toegankelijkheid, netheid en veiligheid. De ruimtevraag van het schildersbedrijf was al bediend, met een mooi kavel met eigen kantoor en opslag.

Ik herinner mij ook de inbreng van een aantal schilders die zzp-ers waren, en niet gevestigd op De Reulver. Zij werkten vanuit huis met busje voor de deur, opslag in een garagebox, administratie online en acquisitie en opdrachten in netwerkverband. Voor hen kon het bedrijventerrein belangrijk zijn om ruimte te bieden voor hun opslag en als plek om klanten en andere netwerkpartners te ontmoeten. Maar zeker niet om daar kantoor te houden.

Het verschil in ruimtevraag tussen het meer traditionele schildersbedrijf en de zzp-er die schilder is kun je interpreteren als een verschil in fase van bedrijvigheid en ondernemerschap. Bijvoorbeeld door te stellen dat een startende ondernemer vaak vanuit huis begint, daarna doorgroeit maar nog geen eigen pand kan bekostigen, om vervolgens te eindigen met een eigen kantoor en loods op een bedrijventerrein als De Reulver. De schilder zzp-ers zijn dan nog niet economisch volgroeid, iets dat toen ook zo beoordeeld werd door Economische Zaken binnen de gemeente.

Het bijzondere is wel dat tijdens de sessie in 2005 de aanwezige zzp-ers aangaven niet perse een eigen bedrijfsruimte nodig te hebben. Die opslag van materialen zou handig zijn, mits goed toegankelijk. Maar wat zij veel meer nodig hadden was een economische ontmoetingsplaats. Als het even kon ook in combinatie met een postservice en kinderopvang trouwens. En met internetverbinding natuurlijk. Dat ontmoeten kon overigens ook prima op een andere plek in de wijk, maar het had wel iets om onder andere ondernemers te zijn.

De Reulver was in de loop der jaren ook van karakter veranderd. Naast de garagebedrijven, transportbedrijven en kleine industrie was er verschillende andersoortige bedrijvigheid geland, waaronder het Sport en Eventcentrum De Twentehallen. Maar ook scholen, gymzalen en zelf een zwem- en saunacombinatie. Ontwikkelingen waar mijn EZ-collega's niet veel mee hadden.

Binnen hun stedelijk economisch programma was het bedrijventerrein vooral geschikt voor echte economische activiteiten, ook om de verdringing uit andere delen van de stad op te vangen. De Reulver is dan ook een mooi voorbeeld van tegengestelde bewegingen, enerzijds de overloop uit de wijken en buurten, anderzijds de overloop uit andere economische gebieden in de stad en regio.

Maar terugkijkend op 2005 speelde toen al een andere beweging, namelijk rond de vraag hoe werkers willen werken en hoe hun wensen en behoeften aan werklocaties (hun ruimtevraag) dan bediend kan worden. En wat dat betekent voor de inrichting van stedelijke gebieden. Nu in 2010 is deze vraag veel herkenbaarder en de moeite waard om verder te verdiepen. Niet alleen voor De Reulver Enschede Zuid, maar voor heel Nederland.

Werkbeleving 21 eeuw is de naam van het landelijk multi-client onderzoek dat de SmartAgent Compagnie, Beaumont Communicatie & Management en ikzelf in januari 2011 gaan starten. Doel van het onderzoek is om te achterhalen welke type werkers er nu precies in het land zijn, wat hun werkstijlen zijn, en welke werkconcepten zij prefereren. De resultaten worden vervolgens naast een aantal bekende werkmilieus gelegd om te zien hoe deze matchen danwel verbeterd kunnen worden.

Steden en regio's hebben veel belang bij inzichten in de ontwikkelingen van de brede economisch-maatschappelijke beweging van het werken en de werkers. Steden zijn tenslotte de economische motors van Nederland. Op beleidsniveau en in de uitvoeringspraktijk van alledag wordt hard gewerkt om de economische mogelijkheden te versterken. Kennis van de werkstijlen en werkconcepten in de eigen stad of regio biedt dan een goed fundament voor het economisch-ruimtelijk beleid.

Op 12 en 26 januari 2011 van 10.00 tot 12.00 uur houden we twee informatiebijeenkomsten over het landelijk onderzoek Werkbeleving 21e eeuw. De locatie is het kantoor van de SmartAgent Compagnie in Amersfoort. Steden en regio's die aan het onderzoek willen meedoen zijn van harte uitgenodigd hiervoor!





zondag 28 november 2010

Crossing Borders


Ronald Borst is een maand geleden in India geweest. Osiris, het bedrijf waar hij voor werkt, heeft daar een textielinktjetprinter verkocht, en Ronald was er om de machine af te regelen en goed over te dragen. Het bedrukken van textiel met behulp van inktjettechnieken is nieuw, waarbij ook de voor- en nabehandeling van het textiel en de grafische bewerking van het te printen design meegenomen wordt. Een innovatieve Nederlandse machine doet het werk. En India heeft een enorme textielmarkt.

Maar goed, het blijft een machine, je kunt er alleen uithalen wat je er vooraf instopt. Dus hoe ga je ermee om? Ronald ontdekte dat er twee manieren zijn. Je kunt uitgaan van bestaande technieken om textiel te printen en de nieuwe machine zo instellen dat je hetzelfde soort printwerk eruit krijgt. Vaak lukt dat, maar soms ook niet, bijvoorbeeld omdat een specifieke kleurstelling van het eindproduct niet met de inktjet te printen is. Deze aanpak noemt hij gemakshalve wat de machine niet kan. Of je verlaat de beelden van de bestaande technieken en hun textiel resultaten en gaat uit van wat de machine wel kan en werkt van daaruit verder. In India wordt de tweede aanpak gebruikt, met zeer veel succes en met veel lagere productiekosten. De echte innovatie wordt eigenlijk gedaan door de mensen daar.


In Parkstad Limburg, iets dichter bij huis, werk ik aan een vernieuwend idee over het bieden van werkruimte aan creatieve ondernemers en
kunstenaars. Onder de prachtige naam van Creatieve Ruimte in Parkstad organiseerden Mark Renne en Jos Reinders een werksessie: er is zoveel leegstand van winkels, bedrijfsruimtes en andere gebouwen, wat is er voor nodig om daar meer creatievelingen in te krijgen?

Schatplichtig aan de Enschedese Voorzieningen Compagnie voor vraag en aanbod van maatschappelijk vastgoed stel ik voor een soortgelijke onderneming voor heel Parkstad op te zetten. Met een makelaarsfunctie om aanbieders van vastgoed te matchen met creatieve ondernemers. Een hospitality functie om beheer, zelfwerkzaamheid en gastheerschap te regelen. En een functie van conceptontwikkeling die zich bezig houdt met clustering, tijdelijkheid, winkel- en etalageplannen en andere zaken. Wat kan een Creatieve Ruimte Compagnie (werktitel) betekenen op de krimpmarkt die Parkstad toch is?

Mijn idee is sterk geinspireerd door de textielinktjetprinter van Ronald Borst. Je kunt de Creatieve Ruimte Compagnie als machine inzetten vanuit het beeld dat er zoveel leegstand is in Parkstad en dat het de bestaande partijen maar niet lukt om die verhuurd te krijgen aan creatievelingen. Dan zijn er zoveel beren op de weg om die eigenaren te betrekken. En wie weet eigenlijk hoeveel vraag er van creatieve ondernemers en kunstenaars precies is? Of dat een lokale overheid het wel heel belangrijk vindt om het CBS gebouw verhuurd te krijgen, en of de Creatieve Ruimte Compagnie dat maar wil regelen, want er wordt toch subsidie gegeven. Dan wordt de nieuwe onderneming meteen een verlengstuk van de lokale overheid of woningcorporatie die "iets" willen met creatieve industrie.

En je kunt uitgaan van wat de Creatieve Ruimte Compagnie allemaal wel kan in Parkstad. Daarbij gebruikt de nieuwe onderneming de steun van alle betrokken creatieve ondernemers en kunstenaars, maar ook van een netwerk van Ondernemend Parkstad. Er komt vast een Vrienden van CRC Parkstad voor sponsoring en toewijding. Gemeenten en andere partijen weten de CRC te vinden en komen met betaalde opdrachten.


En dan leren door te doen, aan te passen als dat echt moet. In bedrijfstermen ook gewoon kersen plukken die rijp zijn en laag hangen, en niet teveel tijd en energie stoppen in moeilijke projecten en opgaven. Kansen pakken en relaties optimaal beheren. De echte innovatie zit in alle mensen die betrokken zijn bij de CRC in Parkstad!

Want we hoeven niet allemaal naar India om dit te ontdekken. Crossing Borders gebeurt vooral in ons hoofd. En in Den Haag natuurlijk!


zondag 7 november 2010

Ruimte voor cultuur - te noot, te vers, te riem en te uil

Cultuur bindt mensen, opent de ogen en prikkelt de verbeelding - we groeien als we ermee in aanraking komen. Beleidsmatig noemen we creatieve klasse, broedplaatsen, cultuur- en kunsteducatie, straattheater, city poems. Of de game industrie, de Design Academie, architectonische hoogstandjes, museum cultuurclusters. Cultuur is here to stay, zo lijkt het.

Niets is minder waar. De stad, de mensen en cultuur is een broos trio. Deze kabinetsperiode nemen we afscheid van heel veel bijzondere cultuuruitingen. Wat te doen dan er over te schrijven? Hieronder vier inspirerende voorbeelden die ik toevallig ken. Koester ze!

Te noot


Vandaag 7 november 2010 trad het Deventer Vocaal Ensemble (DVE) op in de Bergkerk. Onder begeleiding van het Barokorkest Concerto d'Amsterdam werden de Psalm 42 van Mendelssohn en de Mis in C majeur van Beethoven uitgevoerd. Een prachtig concert, met bijzondere goede solisten en veel en enthousiast publiek. De Bergkerk is al een unieke kerk en om daar een klassiek concert te mogen horen is een cadeau. Het DVE kan rekenen op een langdurige financiele ondersteuning van een groep bedrijven, die het Ensemble als het culturele visitekaartje van Deventer beschouwen. De kaartjes zijn beneden de 30 euro, dus (voor mij) betaalbaar.

En wat fijn dat er ruimte voor cultuur is in de Bergkerk, waar zo'n sprankelend concert gegeven kan worden! Althans, nog wel, want geld zit op vier manieren in de weg. Subsidies voor kunstuitvoeringen staan onder druk, uitvoeringen worden duurder door de aanstaande BTW verhoging, sponsorschap door bedrijven wordt lastiger en unieke locaties als de Bergkerk worden op zeer korte termijn onbetaalbaar voor kerkgemeenschappen en eigenlijk ook voor de gemeenten.

Te vers


De zaterdag voor de beroemde Deventer Boekenmarkt wordt al meer dan 10 jaar het Tuinfeest gehouden. Als je van dichters en gedichten houdt, that's the place to be! In vijf binnentuinen in het centrum van Deventer dragen zo'n 25 dichters hun werken voor, ademloos aangehoord en benoten door het publiek. Het Tuinfeest is al jaren uitverkocht, meer dan 1200 bezoekers kunnen er gewoonweg niet in. Ik prijs mij gelukkig dat ik aan dit dichtfestival mag meehelpen als vrijwilliger. Meestal als bouwer en breker (ik verzin het echt niet) en afgelopen jaar als streng kijkende tuinbegeleider die het bordje Stilte ophoog houdt. Meeluisteren naar de voordrachten en onder de indruk raken van de dichteres Sasja Jansen.

Grote trekker van het Tuinfeest is Theater en Restaurant Bouwkunde, die veel investeerders inclusief de gemeente Deventer weet te interesseren. Ook hier levert de kaartverkoop een bijdrage. De toekomst van het Tuinfeest hangt af van een viertal zaken. Allereerst de inzet van de eigenaren van Bouwkunde, die meer dan 100 vrijwilligers aan zich weten te binden. Dan de unieke mogelijkheid om vijf binnentuinen opgesteld te krijgen voor dit evenement, met veel bereidwilligheid van de eigenaren van die tuinen. Daarnaast van de bijdragen van sponsoren en overheden.
Tenslotte van de vraag of het Theater Bouwkunde wel op die plek moet blijven, want moet er geen cultuurcluster komen in de stad?

Te riem


Sport of cultuur? Sloeproeien wordt overal gedaan, ook op de IJssel door de vereniging Daventre Portu. Acht roeiers en een stuur, de rivier als ontmoetingsruimte. De vereniging heeft drie boten en meer dan honderd leden, teams met flinke namen als Thor, Freya en Loki, en doen mee aan wedstrijden door heel Nederland en daarbuiten.

Aan The Great River Race op de Theems in London is dit jaar voor de tweede keer meegedaan. Natuurlijk maken die jongens en meiden uit Deventer niets klaar tussen dat geweld van drakenboten en fine lads die de waterwegregels aan hun riem lappen. Maar meedoen aan The Great River Race is bijzonder. De wedstrijd wordt al meer dan een eeuw gehouden en hoort tot het ware Engelse culturele erfgoed - je moet dan wel van roeien houden.

Daventre Portu heeft dit jaar een groot bouwbedrijf als sponsor binnen gehaald en is ook actief op maatschappelijk vlak. Altijd op zoek naar sponsoren. De thuisbasis is nu nog de Deventer haven, maar in de nabije toekomst gaan de sloeproeiers met de andere watersporters onder een dak (he, een sportcultuurcluster). 's Winters wordt er door de roeiers zelf onderhoud gepleegd aan de boten, dus een goede en warme werkruimte is meer dan welkom.

Te uil


Boerderij het Stroink in Enschede Zuid herbergt al enige jaren Dragon Heart. Martin laat de middeleeuwse geschiedenis herleven in zijn museumwinkel vol zwaarden, harnassen en gewaden. Hij geeft ook vliegdemonstraties met uilen. Toen ik nog stadsdeelmanager in Enschede was, kreeg Martin subsidie om op woensdagmiddagen dergelijk uilendemonstraties voor de kinderen uit Stroinkslanden (en ver daarbuiten) te houden. Sinds vorig jaar is boerderij het Stroink ook trouwlocatie geworden en Martin laat zijn uilen dan de ringen aanvliegen.

De toekomst ziet er niet goed uit voor Martin. Op dit moment zijn er geen sponsoren die Dragon Heart een warm hart toedragen. De inkomsten uit de verkoop van middeleeuwse goederen is veel te weinig. De bijdrage van de gemeente voor de woensdagmiddag wordt waarschijnlijk heroverwogen. Tegelijkertijd kost de boederij ook geld, hoewel de gemeente Enschede hier al een forse tariefsverlaging heeft afgesproken. Martin is ook niet commercieel, hij heeft vooral een passie. Daarnaast is hij voortdurend op zoek naar vrijwilligers om te helpen. Want om uilen te kunnen laten vliegen moet je tenminste met zijn tweeen zijn.

Tijdens de Kei-safari Stroinkslanden afgelopen week heb ik aangeboden om een sponsorplan voor Dragon Heart te schrijven. Daarmee kunnen bedrijven en instellingen benaderd worden, maar ook mensen zoals u en ik, om Martin wat lucht te geven. Maar Martin kan nog veel meer hulp gebruiken. Dus wie wil, graag!

Verder informatie over de vier genoemde cultuuruitingen is te vinden op de onderstaande links.


En over The Great River Race www.greatriverrace.co.uk


donderdag 4 november 2010

Natuurlijke wijkvernieuwing, in Stroinkslanden, ook voor Vreiheide

Vandaag sprak ik Natascha Kromer, stedenbouwkundige bij Sacon. We ontmoetten elkaar in Enschede Zuid voor de Kei Safari Stroinkslanden. Kei-centrum organiseerde de bijeenkomst samen met de gemeente Enschede en woningcorporatie De Woonplaats.

Stroinkslanden is voor mij bekend terrein, als stadsdeelmanager mocht ik meemaken dat gemeente en woningcorporatie elkaar vonden in de manier waarop de wijk aangepakt zou gaan worden. Toendertijd heette die manier Leefsturing, nu Natuurlijke Wijkvernieuwing. Een beetje kort door de bocht natuurlijk, maar mij valt wel op dat er heel veel overeenkomsten zijn.

Wat voorbeelden? In Stroinkslanden wordt wel met programma's en plannen gewerkt, maar er is geen blauwdruk, geen eindbeeld. En dat ondanks de titel van de aanpak Stroinkslanden 2015. Andere partijen worden uitgenodigd om als comakers op te treden, de bewonersorganisatie BTS voorop. Waar de wijk naar toe gaat is belangrijk, maar het tempo, het schaalniveau en de ruimte om later te kunnen veranderen nog veel meer.

Natascha Kromer - en met haar een andere stedenbouwkundige uit Apeldoorn - vroeg zich af wat nou de stedenbouwkundige rationale van Stroinkslanden was, en hoe dat nu terug kwam in de aanpak. Want het leek toch wel erg alsof Natuurlijke Wijkvernieuwing vooral bestond uit veel kleine deelprojectjes... Stedenbouwkundigen zoeken meteen de grote kaders en gebaren op. Maar zij vond dat de wijk sterke identiteitsdragers miste, of dat deze niet goed zichtbaar waren. De aanpak moest daar toch wel iets aan (of mee) doen? En het gaat niet alleen om fysieke zaken...

Mij spreekt identiteit wel aan. Niet alleen de woonbeleving op je eigen straat of hofje maar gebeurt er in de aanpak nu iets dat een collectief bewust "Was ik maar een Stroinkslander" gaat worden. Wim Kuut, oud projectmedewerker van stadsdeel Zuid, noemde dat zijn droom: "Stroinkslanders alle landen verenigt u" Hoe je het ook noemt, het helpt de aanpak als er een dergelijk gedragen gevoel gaat komen. En ook op een positieve manier. Trots op Stroinkslanden is dan prachtig, als buitenstaanders dan ook in de wijk willen wonen en verblijven is dat helemaal raak.

Ondanks de regen vandaag voelde ik dat de wijk goed onderweg is en dat de bewoners en professionals als echte noabers samen optrekken, samen op reis als het ware. Een groot verschil met een aantal jaar geleden.

Een dag ervoor heb ik door de wijk Vreiheide in Heerlen gewandeld. Naar mijn idee lijkt Vreiheide sterk op Stroinkslanden. Wat betreft de stedenbouwkundige structuur (niet duidelijk en niet erg sterk), de architectuur van de woningen (drive-inn woningen, met wonen op de 1e etage), de verhouding huur- en koopwoningen door verkoop van huurwoningen en de gevolgen van de "spikkel" verkoop voor de kwaliteit van de architectuur van de complexen. Maar ook het achterstallig onderhoud van woningen en openbare ruimte, de instroom en concentratie van sociaal-zwakkeren, de weinige voorzieningen, en vooral dat beide gebieden last hebben van een vroegere reputatie of imago.

Vrieheide heeft nog iets anders waar Stroinkslanden op dit moment nog geen last van heeft - de wijk ligt in Parkstad en daar speelt de krimp. Die treft Vrieheide ook, woningen staan leeg en er is simpelweg niet genoeg geld voor een grootschalige aanpak (wat ook verdraaid moeilijk is met zoveel eigenaar-bewoners). De gemeente Heerlen is druk bezig om een plan te maken voor de wijk, maar als ik het voor het zeggen zou hebben, dan kies ik voor Natuurlijke Wijkvernieuwing in Vrieheide.


woensdag 6 oktober 2010

Werken met tuinkabouter Joop


Op 5 oktober mochten Frans Romkes van AnderAdvies en ik een workshop houden in Peel en Maas. Daar vond namelijk het werkatelier Burgerparticipatie plaats, voor projectleiders die werken in krimpgebieden.

We hadden onze workshop de titel meegegeven "De kracht van het omdenken: de tuinkaboutermethode", en die tuinkabouter was ik ook in stadsdeel Enschede Zuid gaan ophalen. Het is denk ik de meest lelijke, vieze en oude tuinkabouter, die ook nog eens kapot is en ronduit aanstootgevend eruit ziet, zo met zijn billen bloot op een bijbehorend potje. Joop van beheer had hem gevonden in de wijk en al jaren staat hij naast de loods een beetje eenzaam te staan, wat in de steek gelaten en vergeten.

Die tuinkabouter is ook heel geschikt voor een workshop: door te laten benoemen wat dat ding voor woorden en gevoelens bij je oproept, maak je ruimte om iets anders dat ook lelijk, vies, kapot en oud is met een open blik en hart te gaan zien.

Tuinkabouter Joop, zo zal ik hem maar noemen, heeft natuurlijk alles met krimp te maken. Want ook krimp kan gevoelens van lelijkheid, kapot, in de steek gelaten en dat wat overblijft oproepen. In het voorstelrondje vroeg ik wat losjes wat krimp voor de deelnemers persoonlijk betekende. Geke Lohr van de gemeente Oldambt vertelde toen over het huis waar zij nu woont, en dat toch echt moeilijker te verkopen is. Dat zij indertijd de woning en het dorp gekozen had, omdat er ook belangrijke voorzieningen aanwezig waren, die nu op een paar na verdwenen zijn. Dat was herkenbaar en persoonlijk, het maakte ook indruk. Daar gaat het om, als je over krimp praat. Dat wat overblijft.

De meeste deelnemers aan het werkatelier waren toch vooral positief gestemd, vol energie: krimp geeft ruimte, krimp is een kans, krimp is kracht. Frans en ik keken elkaar aan en vonden dat het grote omdenken (umdenken) hier kennelijk al begonnen was. Exit tuinkabouter. Door met het verder helpen van de Oost Groningen opgaven, wat mede door de inbreng van de workshop deelnemers prima ging.

Maar toen ik tuinkabouter Joop weer optilde en mee naar mijn auto nam, voelde ik mij toch een beetje weemoedig. Stel je toch eens voor - ben je al oud, vies, kapot en lelijk, krijg je ook niet eens de kans om voor de krimp experts jezelf te kunnen zijn!

vrijdag 10 september 2010

Marktfalen

Anna Minton beschrijft in haar boek "Ground Control. Fear and happiness in the twenty-first-century city" hoe het Pathfinder programma Engeland veranderd heeft. De bedenker van Pathfinder is Brendan Nevin (University of Birmingham) die onderzocht heeft hoe de Engelse woningmarkt van vraag en aanbod zich ontwikkelde, na de huizenmarkt crisis van de jaren negentig. Nevin zag dat vooral de wijken rondom de centrumgebieden zich niet of nauwelijks herstelden, terwijl de potentie van dergelijke gebieden enorm is. Er is volgens Nevin dan ook sprake van marktfalen.

Het Pathfinder programma is opgezet om gericht (maar uiteindelijk toch grootschalige) sloop- en nieuwbouw mogelijk te maken in deze "inner-core" van de getroffen steden. Waarom? Om zo ruimte en woonarrangementen voor hoge en middeninkomens mogelijk te maken, de doelgroepen die de grootste suburbane drang hebben. Bekeken vanuit de Engelse woningmarkt zijn zij de meest geschikte groep mensen om marktfalen teniet te doen, en om de economische kracht van de steden te versterken.

Ik was in 2006 in Birmingham en ben door Quaye Botchway van Ecotec Research & Consulting een dag of drie daar rondgeleid. "Slum clearance" vond op grote schaal plaats, en uitte zich in dichtgetimmerde woningen en lege straten. In de wijken die we bezochten woonden nog steeds mensen en ik herinner mij nog goed een diep gevoel van treurnis om de achtergebleven bewoners die tussen verlaten woningen moeten wonen. Iets dat ik nu ook mee maak als ik in buurten kom met bevolkingskrimp.

Anna Minton heeft de Pathfinder gebieden ook bezocht en schetst een zeer kritisch beeld. Bewoners van de zogenoemde "slums" herkennen zich niet in het beeld van achterstandswijk, ze zijn gehecht aan hun (eigen) woning en willen niet verhuizen. Gemeente, projectontwikkelaars en investeerders vinden echter dat het vooral de fysieke staat van woningen en woonomgeving is, die opwaardering van de wijken in de weg staat. Minton beschrijft de schrijnende situatie van inwoners en hun conflicten met het Pathfinder programma, wat nog treuriger is dan wat ik in Birmingham zag in 2006.

Marktfalen speelt ook een belangrijke rol in de huidige aanpak van de krimpgebieden. "Low demand" en leegstand, huurwoningen die niet meer te verhuren zijn, de grote demografische veranderingen zorgen voor onrust bij woningcorporaties, beleggers in vastgoed en eigenaar-bewoners. Het valt mij op dat de "oplossingen" vooral gekozen worden om de woningmarkt te versterken. "Eerst moet de spanning op de woningmarkt weer terug komen" vindt een woningcorporatie met bezit in Hoensbroek Heerlen. Dus sloop, van woningen die het slecht (gaan) doen in de (toekomstige) woningmarkt. Meer kwaliteit in de woonomgeving. Ook het beperkt terugbouwen van nieuwe woningen voor nog aan te trekken doelgroepen is onderdeel van de aanpak in krimpgebieden. Fysieke maatregelen voor de vastgoedmarkt. Maar krimp gaat volgens mij niet over een falende markt, maar over een kleiner wordende markt.

Ondertussen blijven er ook gewoon mensen in de krimpgebieden. Zij wonen en leven er, worden er oud en groeien er op. Ze zijn gehecht aan hun buurt of straatje. Ook aan de buren, maar jammer genoeg verhuizen er zoveel. Volgens mij gaat het om deze mensen, als we het hebben over de gevolgen van krimp. Misschien hebben we een Anna Minton nodig om te voorkomen dat we Pathfinder programma's in onze krimpgebieden opgedrongen krijgen.

maandag 26 juli 2010

Woon je in een hofje, dan bof je!

In 1995 woonde ik een half jaar in Charlottenburg Berlijn. Het was in de tijd dat Christo de Reichstag inpakte, een zinderende en zwoele zomer. Voor mij was Berlijn een nieuwe ontdekking, met die spannende combinatie van grootstedelijkheid en onverwachte stille plekken. De stad leek wel gebouwd met talloze hofjes en binnentuinen, waar het tempo omlaag ging en de warmte in de lucht bleef hangen. En aan het einde van de dag kwamen de Berlijners te voorschijn, keerden de leefgeluiden terug. leefden daar vooral 's avonds, zo leek het wel. Ik moest denken aan Bordewijk en de Haagse Passage, die relatie tussen mensen, stenen en stijlen. Woonde ik maar in een hofje, in plaats van een appartement 2 hoog achter in een oude wijk in Utrecht.

Woon je in een hofje, dan bof je! was de naam van een project in de stad Groningen van een tien, twaalf jaar geleden. Kees van der Helm, die ik kende van het LPB - Platform voor wijkgericht werken, stuurde mij de informatie toe. Samen met de woningcorporatie stelde de gemeente drie inrichtingspakketten op waaruit de inwoners konden kiezen hoe hun hofje er in de toekomst uit zou zien. In 2006 zocht ik voorbeelden van inrichting en beheervormen voor hofjes vanwege het Enschedese project De Unieke Brink. Nog steeds zie ik hofjes als een bijzondere vorm van stedenbouw en architectuur, met een aparte grammatica die gelezen en gebruikt wordt door inwoners en bezoekers.

In Nova Terra van juni 2010 worden meningen gegeven over plezierig wonen in extreem hoge dichtheid. Mijn college Hans Karssenberg woont zelf op het Westerdok met de ingang op een stads hofje, maar dat noemt hij jammer genoeg niet als kwaliteit van de openbare ruimte. Hij benadrukt vooral de dakterrassen en de diepe balkons als voorwaarde voor plezierig wonen, wat toch gaat om een meer besloten en prive gebruik van de buitenruimte. Ik denk dat hofjes en binnentuinen een andere verhouding hebben tussen inwoners en bezoekers. Meer in het voorbeeld van Le Medi in Rotterdam, de tuin van de voormalige school Nieuw Rollecate in Deventer of zoals ik mocht zien in Glaucha Halle.

In Halle is een aantal bewoners begonnen met het weer in gebruik nemen van hun omsloten binnentuin. Voor mij bijna een Berlijnse praktijk: gewoon aan de slag met het op orde brengen van het groen en afspraken maken over het onderhoud en gebruik. Bijzonder is natuurlijk dat het niet gewoon meer is om je te bemoeien met de openbare ruimte, ook niet als het je gezamenlijke achtertuin is. Misschien heeft dat met de ontstane cultuur van Oost-Duitsland te maken, waar samenwerken vooral op verzoek van de overheid of instanties gebeurde. Of misschien wel met de situatie van Glaucha in Halle, met veel leegstaande woningen door verhuizingen, want het is een krimpgebied.

Dat gevoel van een "Berlijnse" praktijk komt ook omdat het vooral jonge mensen zijn die zich inzetten voor hun binnentuin. Zij proberen anderen te betrekken en de groep vrijwilligers breidt zich langzaam uit tot nu 7 mensen. Het is ook een echt burgerinitiatief, de gemeente mag meedoen. Voor mij is het ook echt bottom-up werken, vol valkuilen en beren op de tuin. Soms vergeten we als toeschouwers en professionals wel eens dat dergelijke initiatieven niets hebben aan kritiek en cynisme over aantallen deelnemers en continuiteit in de toekomst. Het gaat erom dat deze binnentuin nu toewijding en zorg krijgt, en de toekomst is niet meer dan heel veel nu's achter elkaar. Dan bof je, als je in Glaucha woont.

vrijdag 23 juli 2010

Groen maken gaat over mensen!

Zo rond 2006 startte in Enschede Zuid het project De Unieke Brink. Traditioneel is een brink een centrale plek met bomen in het dorp of stad, waar markt gehouden wordt en geschikt voor ontmoeting en verblijf. In de naoorlogse wijk Wesselerbrink zijn door de stempelbouw van woningen een 60 hofjes of brinken ingericht. Vaak als groen plantsoen, met speeltoestellen en in veel gevallen nog met de volwassen bomen uit het oude landschap. Maar meteen ook eentonig en saai. Vanuit het wijkontwikkelingsplan Kultuurstraat Wesselerbrink zijn de brinken aangemerkt als belangrijke identiteitsdragers. De Unieke Brink moet ervoor zorgen dat ieder van die 60 hofjes een uniek karakter krijgt, dat aansluit bij de wensen van de inwoners en gebruikers. In 2010 zijn 15 brinken ook echt uniek geworden.

Het is een bijzonder project. Niet alleen vanwege de erg hoge respons (tussen de 80 en 95%) van bewoners om mee te denken hoe hun de toekomstige brink eruit gaat zien. Of vanwege het erg slimme enqueteboek (met erg veel dank aan John Boon van Arcadis), waarmee sferen en stijlen uitgebeeld werden, zodat op iedere brink - ongeacht de taalverschillen - de meningen van bewoners gegeven kan worden. Zelfs niet vanwege het ongeduld van die bewoners die "niet op hun beurt konden wachten" en zelf, als burgerinitiatief, met hun plantsoen aan de slag zijn gegaan, zoals een aanpak gebaseerd op permacultuur, ofwel het verkleinen van de voedselketen door meer eetbare planten en struiken aan het stedelijk groen toe te voegen.

Wat het vooral bijzonder maakt, is dat er met de nieuwe inrichtingen er ook nieuwe sociale structuren per brink ontstaan zijn. Met trotsheid en met uitstraling. Geen slechte prestatie voor een aandachtswijk. Daarnaast liggen er mooie kansen voor een nieuwe samenwerking tussen zelfbeheer van bewoners en beheer door gemeente of woningcorporatie. En tenslotte heeft De Unieke Brink ervoor gezorgd dat er iets te kiezen is voor de nieuwe bewoner: het maakt verschil of je nieuwe woning (huur of koop) aan een romantische brink ligt, of aan een seizoenenbrink, aan een brink vol speelmogelijkheden of met een meer landelijk karakter.

Groene identiteitsdragers zijn tegenwoordig erkende elementen voor stedelijke ontwikkeling. Zo ook in Heerlen. Tijdens het bezoek KEI-on-the-road deze maand mocht ik ook de pocketparks in MSP bekijken. Sprekend de omvang en opzet van de Unieke Brink in Enschede. Met als extra element de hoogteverschillen (Enschede Zuid is toch echt platter, met uitzondering van de bult in het Wesselerbrink Park). Maar van wie zijn de pocketparks nu eigenlijk? Hoe zijn ze ingericht en hoe worden ze onderhouden? Wie maakt er gebruik van? Hier ligt volgens mij een mooie kans voor de wijk!

Een eindje verderop, in Hoensbroek, worden woningen gesloopt en komt er nieuw groen voor in de plaats. Maar wat voor groen? Moestuinen zoals in MSP? Grasvelden? Pocketparkjes? Velden met wilde bloemen die vlinders en insecten aantrekken, zoals in Dessau? Nieuwe bossen? Multiculturele tuinen? Speel- en beweegruimtes, ook voor senioren? Wordt het meer parkachtig, of juist meer buitengebied? Of misschien met kunstobjecten en verdwaalroutes.

En wat moet je er nu mee als bewoner? Wordt al dat nieuw groen nu een deel van je voor- of achtertuin? Ga je samen met andere bewoners aan de slag met het onderhoud ervan? Is er geen boerenbedrijf of herder die zijn vee of kudde er kan laten grazen?

Groen maken gaat helemaal niet over groen, het gaat over mensen!

woensdag 14 juli 2010

We staan open voor elk experiment!

Broeierige Kei-on-the-road in Heerlen gisteren. Bram Heijkers nam ons mee op excursie in de wijk MSP, met veel sociaal-maatschappelijke problemen en criminaliteit, lege en te slopen appartmenten, een stevig wijkactieplan want Krachtwijk en wat we met z'n allen noemen een opgave. Maar welke opgave is het nu precies?

De woningcorporaties weten dat wel: leegstand is slecht voor de verhuurbaarheid en waardeontwikkeling van hun vastgoed en vergroot de onveiligheidsgevoelens in de straat en de buurt. De woningen die nu gesloopt worden zijn ook niet klaar voor een verdere toekomst, wat wooncomfort betreft of vanuit energetisch oogpunt. Het blijft kapitaalvernietiging maar dat is vooral omdat de wooncomplexen ontworpen en gebouwd zijn binnen het groeiparadigma - investeringen die gedaan zijn verdienen zich te zijner tijd weer terug door waardeontwikkeling van het vastgoed. Tenzij de woningen plotsklaps in een krimpgebied blijken te liggen, dan is er geen waardestijging, geen vraag naar woningen of naar woningen die minder kwaliteit hebben, dan is er alleen teveel aanbod.

Ik zoek eigenlijk naar een manier om van dit groeidenken in vastgoed af te komen. Zomaar een richting van mijn zoektocht: waarom hanteren we in het hele land dezelfde kengetallen voor de realisatie, beheer en exploitatie, inclusief afschrijving van woningen? Moet een woning of woningcomplex in Utrecht (groeigebied) vanuit deze kengetallen te vergelijken zijn met Heerlen (krimpgebied)? Waarom niet een indeling in 3-en: groei/neutraal/krimp?

We staan open voor elk experiment! Wethouder Lex Smeets is voor de Kei-aanwezigen erg stellig als ik hem vraag of de gemeente klaar is voor alle burgerinitatieven in MSP. Maar in 1 ademhaal voegt hij eraan toe dat MSP nu niet bekend staat om de doortastendheid van haar inwoners. Die hebben nog wel wat hulp nodig. Vanuit de Krachtwijk gedachte volkomen logisch: persoonlijke interventies en sociale stijging gaan hand in hand. Wilmien Haverkamp van de gemeente Enschede legt haar vinger op de zere plek, als zij meent dat het voor een overheid of woningcorporatie moeilijk is om echt ruimte te geven aan ideeen en activiteiten van bewoners. Zij blijven afhankelijk van instanties en organisaties, terwijl er talloze voorbeelden in het land (en daarbuiten) zijn die laten zien dat burgerinitiatieven vooral om overheidsparticipatie vragen.


Voorbeelden die anders kunnen in MSP? De ingerichte tijdelijke moestuinen worden door een gemeentelijk projectleider "gemanaged". Baanbrekend werk en Buurthulp MSP draait op gemeente ambtenaren en instellingen, zij organiseren dat bewoners betrokken worden. En versta mij goed - ik vind ook dat de professionele partners in MSP (in Heerlen) een belangrijke rol hebben bij burgerinitiatieven. Maar er is natuurlijk geen enkele reden om bewoners van achter het stuur weg te houden. De enige reden zit in de hoofden van de professionals.

Burgerinitiatieven op microniveau (huis, straat, buurt) en om macroniveau (wijk, Heerlen). Als Smallingerdam in staat is om ruimte te geven bij het compleet inrichten en realiseren van een hele wijk, waarom zou dat niet in MSP kunnen? Als Hoogeveen met zijn smederijen inwoners echt activeert en echt invloed geeft op de stad (ook financieel), kan Heerlen dat ook niet?

Je zou er maar wonen, zei Henk Kieft van KAW en volgens mij bedoelde hij dat je het dan als inwoners zwaar te verduren hebt tijdens de hele transformatieperiode. Maar stel nu eens, Henk, dat jij er woont. Laat jij je dan klein houden door een woningcorporatie of gemeente? Je barst toch van de eigen initiatieven en die ga je toch ook echt realiseren?

dinsdag 13 juli 2010

Halle Glaucha en claims in Dessau


In Dessau wordt de krimp zichtbaar in de toename van de openbare ruimte: de stad mikt op het vergroten van de groene zones, parken en corridoren in de stad, zozeer zelfs dat er sprake is (of gaat zijn) van city islands. Dat vraagt een enorme inspanning om structuur aan te brengen in al dat groen. Geld voor stedelijk beheer is er niet, wat betekent dat Dessau grote groenstructuren meer extensief gaat onderhouden. Er worden veel experimenten gedaan, bijvoorbeeld hoe een weg opheffen en terug geven aan de natuur.

Op een aantal plekken is de structuur van de Dessau claims te zien. Inwoners en verenigingen kunnen een vierkant stuk openbare ruimte claimen voor een specifieke activiteit of inrichting. Van medicinale kruidentuin tot rotskunstwerk. Of multiculturele tuin. Als het maar wel binnen de vierkante afbakening blijft. De claims die we gezien hebben tijdens ons bezoek zijn voor een groot deel vooral erg... stil. Waar is iedereen?

Alexander Hempel is resoluut in zijn antwoord, als we vragen naar de continuiteit en robuustheid van zijn bewonersinitiatief. Wat gebeurt er met het beheer, de inrichting en de activiteiten in de binnentuin als je uit Halle Glaucha vertrekt? Maar ik ga helemaal niet weg, antwoordde hij, dit is een prima plek om te wonen en te blijven. Alexander Hempel is een idealist en een voorvechter van initiatieven van en voor de bewoners.

Glaucha is een apart stukje Altstad, net aan de andere kant van de snelweg, dat van bovenaf een beetje op Parijs lijkt. Fraaie 4 en 5 etage hoge huizen, met hun aangezicht naar de straat en rondom een binnenterrein. Soms met verrassende architectuur en in heel veel gevallen met zoek geraakte eigenaren. Dat is dan ook een van de grote problemen van Glaucha: er staan heel veel huizen van particulieren leeg en gemeente en omwonenden hebben geen idee wie nu precies de huiseigenaren zijn. Aangezien ieder huis 4 tot 6 woningen telt en de huurders of woningeigenaren sterk afhankelijk zijn van de huiseigenaar voor renovatie en onderhoud van de panden, wordt een meer structurele aanpak erg lastig.

Dat is ook een van de bijzondere elementen van een krimpgebied in Sachsen-Anhalt, je raakt bewoners kwijt en de eigenaren van de huizen blijken niet in de regio zelf te wonen. Maar het lukt toch nog om voor een aantal huizen iets meer te doen dan te accepteren dat er alleen een steiger voor de gevel wordt geplaatst, mede door de enthousiaste inzet van Alexander Hempel en de ondersteuning van de gemeente Halle. Maar vertrek uit de krimpende stad Halle ligt altijd op de loer.

Volgens Sonja Beeck, projectcoordinator van het IBA, is investeren in krimpgebieden in Sachsen-Anhalt vooral investeren in mensen. Je kunt het sociale cohesie, identiteit of trots op de stad noemen. Het gaat alleen werken als de inwoners zelf aan de slag gaan. Ik geloof dat ook. Denk meteen dat mensen die aan de slag gaan een stapje op de sociale stijgingsladders maken. Dat is goed. Ook voor hen kunnen activering en eigen initatieven de opmaat zijn om verder te komen. Sonja Beeck hoopt dat die opmaat nog niet betekent dat de inwoners ook het gebied uit stijgen. Maar dat weet ik nog zo net niet.


woensdag 7 juli 2010

Sociaal de wijk uit stijgen in krimpgebieden


In een interview met Stipo constateert Fouad Sidali, in 2009 wethouder Sociale Pijler Stadsdeel Bos en Lommer, dat de sociale stijging in de Kolenkitbuurt impliceert dat men juist de wijk uit gaat. Dat geldt voor bewoners maar ook voor professionals. Opbouwwerkers die "de buurt uitpromoveren" en bewoners die verhuizen als zij de kans krijgen. Je zou kunnen zeggen dat het dus goed gaat met de aanpak in de krachtwijk Kolenkitbuurt Amsterdam. Beleidsadviseurs en bestuurders die zich baseren op de feiten en cijfers constateren dat ieder "uitstromend" gezin met laag inkomen onherroepelijk een verbetering van de gemiddelde score op de lijstjes van indicatoren betekent. Ook de nieuwbouw voor middeninkomens laat de Kolenkitbuurt beteren scoren. Tenminste, als je de buurt bekijkt als werkeenheid en je niet te veel verdiept in vragen als waarom welzijnswerkers vertrekken, waar bewoners terecht komen..

In krimpgebieden verhuizen mensen als zij de kans krijgen. Ondanks sociale netwerken en structuren, er moet ook simpelweg geld verdiend worden. Weert heeft te maken met vergrijzing, huishoudensverdunning en ziet een toenemend aantal nieuwe huishoudens komen, uit de regio maar ook uit Parkstad Zuid-Limburg. Werken in booming Brabant of nog verder, wonen in de Poort van Limburg, het laatste stukje echt Limburg. Weert profiteert door de gunstige ligging en het aantrekkelijke suburbane karakter van de verhuizingen uit o.a. Hoensbroek Heerlen.

Omdenken in krimpgebieden betekent dan ook accepteren dat er mensen vertrekken. Hier is een spannend moment voor bestuurders en beleidsmakers: in hoogstedelijke gebieden als de Kolenkitbuurt in Bos & Lommer Amsterdam komt het wel goed uit dat de bewoners (en professionals) de wijk uit stijgen. En in krimpgebieden? Sociale stijging betekent ook daar meer kansen en mogelijkheden om te vertrekken. Betere opleiding of eerste stappen op de arbeidsmarkt zetten daarmee de deur open om het gebied uit te stijgen. Dat is goed voor de mensen zelf, de sociale stijgers, maar een drama voor het krimpgebied.

Ofwel, niet alleen moet je in krimpgebieden het doen met de mensen die er zijn, accepteren dat er niemand bij komt. Maar ook dat interventies en sociale stijging voor de inwoners vooral betekent dat zij kansen krijgen om weg te gaan. En dat vervolgens ook doen.




dinsdag 29 juni 2010

Waarom hart en handen aan de stad?

Gisteren tijdens de stuurgroepvergadering van het Stipo project Uitvoeringsprogramma Hoensbroek viel het mij binnen. Hoe graag we het ook willen, er wordt nog steeds te veel gepraat en te weinig gedaan met de stad, in dit geval het stadsdeel Hoensbroek in Heerlen. Voor Stipo ben ik met mijn collega's nu zo'n vijf maanden bezig om het huidige Masterplan "tegen het licht" te houden, te verrijken met nieuwe inzichten, een inspirerende koers uit te zetten en en roedel "maatregelen" te bepalen die de stad en de mensen verder helpen. Het wordt wel een fijn product, maar tegelijkertijd vind ik dat er allang gestart had kunnen worden. Programma's voor een gebied (en gebiedsontwikkeling) kunnen best opgesteld worden, terwijl allerhande activiteiten en projecten al onderweg zijn. Eerlijk gezegd heb ik nooit anders meegemaakt.

Maar goed, het gaat in Hoensbroek dan ook om forse bedragen en flinke tekorten op de totale begroting van het programma. Tekorten omdat er woningen gesloopt worden, die in de huidige en toekomstige woningmarkt niet meer rendabel te verhuren zijn (of te verkopen zijn). Dezelfde tekorten worden verwacht bij nieuwbouw van voorzieningen (clustering natuurlijk). Of bij de enorme herinrichting van de openbare ruimte, ook op die plaatsen waar eens woningen stonden. Bevolkingsdaling is een ramp voor Hoensbroek (Heerlen, Parkstad Limburg en verder). Vooral voor de inwoners, ondernemers en bezoekers. En nog veel meer voor de overheden (gemeente, regio, provincie), woningcorporaties, zorginstellingen, en anderen - zij hebben hun baten en lasten rekeningen gebaseerd op groei. Groei van aantallen bewoners, groei van kinderen, groei van huurders en clienten, van aantallen huizen.

Niet meer dus. Hoensbroek, zoals zoveel dorpen en kernen in Zuid-Limburg loopt gestaag leeg. Alle interventies die je kunt bedenken concurreren met de directe omgeving en hebben slechts een tijdelijk effect. Leuk om een nieuwe economische motor te bedenken in de vorm van "meer dagjes mensen naar kasteel Hoensbroek" maar ieder gebied gaat een dergelijk truc verzinnen. Krimp gaat door. We krijgen lege landschappen (als we het goed en slim doen) met kleine en middelgrote steden die niet meer lijken op het huidige Hoensbroek en Heerlen.

Dan rest alleen hart en handen aan de stad om samen - in coproductie - met de inwoners aan de slag te gaan. Gewoon accepteren dat "er niemand meer bij komt".