maandag 26 juli 2010

Woon je in een hofje, dan bof je!

In 1995 woonde ik een half jaar in Charlottenburg Berlijn. Het was in de tijd dat Christo de Reichstag inpakte, een zinderende en zwoele zomer. Voor mij was Berlijn een nieuwe ontdekking, met die spannende combinatie van grootstedelijkheid en onverwachte stille plekken. De stad leek wel gebouwd met talloze hofjes en binnentuinen, waar het tempo omlaag ging en de warmte in de lucht bleef hangen. En aan het einde van de dag kwamen de Berlijners te voorschijn, keerden de leefgeluiden terug. leefden daar vooral 's avonds, zo leek het wel. Ik moest denken aan Bordewijk en de Haagse Passage, die relatie tussen mensen, stenen en stijlen. Woonde ik maar in een hofje, in plaats van een appartement 2 hoog achter in een oude wijk in Utrecht.

Woon je in een hofje, dan bof je! was de naam van een project in de stad Groningen van een tien, twaalf jaar geleden. Kees van der Helm, die ik kende van het LPB - Platform voor wijkgericht werken, stuurde mij de informatie toe. Samen met de woningcorporatie stelde de gemeente drie inrichtingspakketten op waaruit de inwoners konden kiezen hoe hun hofje er in de toekomst uit zou zien. In 2006 zocht ik voorbeelden van inrichting en beheervormen voor hofjes vanwege het Enschedese project De Unieke Brink. Nog steeds zie ik hofjes als een bijzondere vorm van stedenbouw en architectuur, met een aparte grammatica die gelezen en gebruikt wordt door inwoners en bezoekers.

In Nova Terra van juni 2010 worden meningen gegeven over plezierig wonen in extreem hoge dichtheid. Mijn college Hans Karssenberg woont zelf op het Westerdok met de ingang op een stads hofje, maar dat noemt hij jammer genoeg niet als kwaliteit van de openbare ruimte. Hij benadrukt vooral de dakterrassen en de diepe balkons als voorwaarde voor plezierig wonen, wat toch gaat om een meer besloten en prive gebruik van de buitenruimte. Ik denk dat hofjes en binnentuinen een andere verhouding hebben tussen inwoners en bezoekers. Meer in het voorbeeld van Le Medi in Rotterdam, de tuin van de voormalige school Nieuw Rollecate in Deventer of zoals ik mocht zien in Glaucha Halle.

In Halle is een aantal bewoners begonnen met het weer in gebruik nemen van hun omsloten binnentuin. Voor mij bijna een Berlijnse praktijk: gewoon aan de slag met het op orde brengen van het groen en afspraken maken over het onderhoud en gebruik. Bijzonder is natuurlijk dat het niet gewoon meer is om je te bemoeien met de openbare ruimte, ook niet als het je gezamenlijke achtertuin is. Misschien heeft dat met de ontstane cultuur van Oost-Duitsland te maken, waar samenwerken vooral op verzoek van de overheid of instanties gebeurde. Of misschien wel met de situatie van Glaucha in Halle, met veel leegstaande woningen door verhuizingen, want het is een krimpgebied.

Dat gevoel van een "Berlijnse" praktijk komt ook omdat het vooral jonge mensen zijn die zich inzetten voor hun binnentuin. Zij proberen anderen te betrekken en de groep vrijwilligers breidt zich langzaam uit tot nu 7 mensen. Het is ook een echt burgerinitiatief, de gemeente mag meedoen. Voor mij is het ook echt bottom-up werken, vol valkuilen en beren op de tuin. Soms vergeten we als toeschouwers en professionals wel eens dat dergelijke initiatieven niets hebben aan kritiek en cynisme over aantallen deelnemers en continuiteit in de toekomst. Het gaat erom dat deze binnentuin nu toewijding en zorg krijgt, en de toekomst is niet meer dan heel veel nu's achter elkaar. Dan bof je, als je in Glaucha woont.

vrijdag 23 juli 2010

Groen maken gaat over mensen!

Zo rond 2006 startte in Enschede Zuid het project De Unieke Brink. Traditioneel is een brink een centrale plek met bomen in het dorp of stad, waar markt gehouden wordt en geschikt voor ontmoeting en verblijf. In de naoorlogse wijk Wesselerbrink zijn door de stempelbouw van woningen een 60 hofjes of brinken ingericht. Vaak als groen plantsoen, met speeltoestellen en in veel gevallen nog met de volwassen bomen uit het oude landschap. Maar meteen ook eentonig en saai. Vanuit het wijkontwikkelingsplan Kultuurstraat Wesselerbrink zijn de brinken aangemerkt als belangrijke identiteitsdragers. De Unieke Brink moet ervoor zorgen dat ieder van die 60 hofjes een uniek karakter krijgt, dat aansluit bij de wensen van de inwoners en gebruikers. In 2010 zijn 15 brinken ook echt uniek geworden.

Het is een bijzonder project. Niet alleen vanwege de erg hoge respons (tussen de 80 en 95%) van bewoners om mee te denken hoe hun de toekomstige brink eruit gaat zien. Of vanwege het erg slimme enqueteboek (met erg veel dank aan John Boon van Arcadis), waarmee sferen en stijlen uitgebeeld werden, zodat op iedere brink - ongeacht de taalverschillen - de meningen van bewoners gegeven kan worden. Zelfs niet vanwege het ongeduld van die bewoners die "niet op hun beurt konden wachten" en zelf, als burgerinitiatief, met hun plantsoen aan de slag zijn gegaan, zoals een aanpak gebaseerd op permacultuur, ofwel het verkleinen van de voedselketen door meer eetbare planten en struiken aan het stedelijk groen toe te voegen.

Wat het vooral bijzonder maakt, is dat er met de nieuwe inrichtingen er ook nieuwe sociale structuren per brink ontstaan zijn. Met trotsheid en met uitstraling. Geen slechte prestatie voor een aandachtswijk. Daarnaast liggen er mooie kansen voor een nieuwe samenwerking tussen zelfbeheer van bewoners en beheer door gemeente of woningcorporatie. En tenslotte heeft De Unieke Brink ervoor gezorgd dat er iets te kiezen is voor de nieuwe bewoner: het maakt verschil of je nieuwe woning (huur of koop) aan een romantische brink ligt, of aan een seizoenenbrink, aan een brink vol speelmogelijkheden of met een meer landelijk karakter.

Groene identiteitsdragers zijn tegenwoordig erkende elementen voor stedelijke ontwikkeling. Zo ook in Heerlen. Tijdens het bezoek KEI-on-the-road deze maand mocht ik ook de pocketparks in MSP bekijken. Sprekend de omvang en opzet van de Unieke Brink in Enschede. Met als extra element de hoogteverschillen (Enschede Zuid is toch echt platter, met uitzondering van de bult in het Wesselerbrink Park). Maar van wie zijn de pocketparks nu eigenlijk? Hoe zijn ze ingericht en hoe worden ze onderhouden? Wie maakt er gebruik van? Hier ligt volgens mij een mooie kans voor de wijk!

Een eindje verderop, in Hoensbroek, worden woningen gesloopt en komt er nieuw groen voor in de plaats. Maar wat voor groen? Moestuinen zoals in MSP? Grasvelden? Pocketparkjes? Velden met wilde bloemen die vlinders en insecten aantrekken, zoals in Dessau? Nieuwe bossen? Multiculturele tuinen? Speel- en beweegruimtes, ook voor senioren? Wordt het meer parkachtig, of juist meer buitengebied? Of misschien met kunstobjecten en verdwaalroutes.

En wat moet je er nu mee als bewoner? Wordt al dat nieuw groen nu een deel van je voor- of achtertuin? Ga je samen met andere bewoners aan de slag met het onderhoud ervan? Is er geen boerenbedrijf of herder die zijn vee of kudde er kan laten grazen?

Groen maken gaat helemaal niet over groen, het gaat over mensen!

woensdag 14 juli 2010

We staan open voor elk experiment!

Broeierige Kei-on-the-road in Heerlen gisteren. Bram Heijkers nam ons mee op excursie in de wijk MSP, met veel sociaal-maatschappelijke problemen en criminaliteit, lege en te slopen appartmenten, een stevig wijkactieplan want Krachtwijk en wat we met z'n allen noemen een opgave. Maar welke opgave is het nu precies?

De woningcorporaties weten dat wel: leegstand is slecht voor de verhuurbaarheid en waardeontwikkeling van hun vastgoed en vergroot de onveiligheidsgevoelens in de straat en de buurt. De woningen die nu gesloopt worden zijn ook niet klaar voor een verdere toekomst, wat wooncomfort betreft of vanuit energetisch oogpunt. Het blijft kapitaalvernietiging maar dat is vooral omdat de wooncomplexen ontworpen en gebouwd zijn binnen het groeiparadigma - investeringen die gedaan zijn verdienen zich te zijner tijd weer terug door waardeontwikkeling van het vastgoed. Tenzij de woningen plotsklaps in een krimpgebied blijken te liggen, dan is er geen waardestijging, geen vraag naar woningen of naar woningen die minder kwaliteit hebben, dan is er alleen teveel aanbod.

Ik zoek eigenlijk naar een manier om van dit groeidenken in vastgoed af te komen. Zomaar een richting van mijn zoektocht: waarom hanteren we in het hele land dezelfde kengetallen voor de realisatie, beheer en exploitatie, inclusief afschrijving van woningen? Moet een woning of woningcomplex in Utrecht (groeigebied) vanuit deze kengetallen te vergelijken zijn met Heerlen (krimpgebied)? Waarom niet een indeling in 3-en: groei/neutraal/krimp?

We staan open voor elk experiment! Wethouder Lex Smeets is voor de Kei-aanwezigen erg stellig als ik hem vraag of de gemeente klaar is voor alle burgerinitatieven in MSP. Maar in 1 ademhaal voegt hij eraan toe dat MSP nu niet bekend staat om de doortastendheid van haar inwoners. Die hebben nog wel wat hulp nodig. Vanuit de Krachtwijk gedachte volkomen logisch: persoonlijke interventies en sociale stijging gaan hand in hand. Wilmien Haverkamp van de gemeente Enschede legt haar vinger op de zere plek, als zij meent dat het voor een overheid of woningcorporatie moeilijk is om echt ruimte te geven aan ideeen en activiteiten van bewoners. Zij blijven afhankelijk van instanties en organisaties, terwijl er talloze voorbeelden in het land (en daarbuiten) zijn die laten zien dat burgerinitiatieven vooral om overheidsparticipatie vragen.


Voorbeelden die anders kunnen in MSP? De ingerichte tijdelijke moestuinen worden door een gemeentelijk projectleider "gemanaged". Baanbrekend werk en Buurthulp MSP draait op gemeente ambtenaren en instellingen, zij organiseren dat bewoners betrokken worden. En versta mij goed - ik vind ook dat de professionele partners in MSP (in Heerlen) een belangrijke rol hebben bij burgerinitiatieven. Maar er is natuurlijk geen enkele reden om bewoners van achter het stuur weg te houden. De enige reden zit in de hoofden van de professionals.

Burgerinitiatieven op microniveau (huis, straat, buurt) en om macroniveau (wijk, Heerlen). Als Smallingerdam in staat is om ruimte te geven bij het compleet inrichten en realiseren van een hele wijk, waarom zou dat niet in MSP kunnen? Als Hoogeveen met zijn smederijen inwoners echt activeert en echt invloed geeft op de stad (ook financieel), kan Heerlen dat ook niet?

Je zou er maar wonen, zei Henk Kieft van KAW en volgens mij bedoelde hij dat je het dan als inwoners zwaar te verduren hebt tijdens de hele transformatieperiode. Maar stel nu eens, Henk, dat jij er woont. Laat jij je dan klein houden door een woningcorporatie of gemeente? Je barst toch van de eigen initiatieven en die ga je toch ook echt realiseren?

dinsdag 13 juli 2010

Halle Glaucha en claims in Dessau


In Dessau wordt de krimp zichtbaar in de toename van de openbare ruimte: de stad mikt op het vergroten van de groene zones, parken en corridoren in de stad, zozeer zelfs dat er sprake is (of gaat zijn) van city islands. Dat vraagt een enorme inspanning om structuur aan te brengen in al dat groen. Geld voor stedelijk beheer is er niet, wat betekent dat Dessau grote groenstructuren meer extensief gaat onderhouden. Er worden veel experimenten gedaan, bijvoorbeeld hoe een weg opheffen en terug geven aan de natuur.

Op een aantal plekken is de structuur van de Dessau claims te zien. Inwoners en verenigingen kunnen een vierkant stuk openbare ruimte claimen voor een specifieke activiteit of inrichting. Van medicinale kruidentuin tot rotskunstwerk. Of multiculturele tuin. Als het maar wel binnen de vierkante afbakening blijft. De claims die we gezien hebben tijdens ons bezoek zijn voor een groot deel vooral erg... stil. Waar is iedereen?

Alexander Hempel is resoluut in zijn antwoord, als we vragen naar de continuiteit en robuustheid van zijn bewonersinitiatief. Wat gebeurt er met het beheer, de inrichting en de activiteiten in de binnentuin als je uit Halle Glaucha vertrekt? Maar ik ga helemaal niet weg, antwoordde hij, dit is een prima plek om te wonen en te blijven. Alexander Hempel is een idealist en een voorvechter van initiatieven van en voor de bewoners.

Glaucha is een apart stukje Altstad, net aan de andere kant van de snelweg, dat van bovenaf een beetje op Parijs lijkt. Fraaie 4 en 5 etage hoge huizen, met hun aangezicht naar de straat en rondom een binnenterrein. Soms met verrassende architectuur en in heel veel gevallen met zoek geraakte eigenaren. Dat is dan ook een van de grote problemen van Glaucha: er staan heel veel huizen van particulieren leeg en gemeente en omwonenden hebben geen idee wie nu precies de huiseigenaren zijn. Aangezien ieder huis 4 tot 6 woningen telt en de huurders of woningeigenaren sterk afhankelijk zijn van de huiseigenaar voor renovatie en onderhoud van de panden, wordt een meer structurele aanpak erg lastig.

Dat is ook een van de bijzondere elementen van een krimpgebied in Sachsen-Anhalt, je raakt bewoners kwijt en de eigenaren van de huizen blijken niet in de regio zelf te wonen. Maar het lukt toch nog om voor een aantal huizen iets meer te doen dan te accepteren dat er alleen een steiger voor de gevel wordt geplaatst, mede door de enthousiaste inzet van Alexander Hempel en de ondersteuning van de gemeente Halle. Maar vertrek uit de krimpende stad Halle ligt altijd op de loer.

Volgens Sonja Beeck, projectcoordinator van het IBA, is investeren in krimpgebieden in Sachsen-Anhalt vooral investeren in mensen. Je kunt het sociale cohesie, identiteit of trots op de stad noemen. Het gaat alleen werken als de inwoners zelf aan de slag gaan. Ik geloof dat ook. Denk meteen dat mensen die aan de slag gaan een stapje op de sociale stijgingsladders maken. Dat is goed. Ook voor hen kunnen activering en eigen initatieven de opmaat zijn om verder te komen. Sonja Beeck hoopt dat die opmaat nog niet betekent dat de inwoners ook het gebied uit stijgen. Maar dat weet ik nog zo net niet.


woensdag 7 juli 2010

Sociaal de wijk uit stijgen in krimpgebieden


In een interview met Stipo constateert Fouad Sidali, in 2009 wethouder Sociale Pijler Stadsdeel Bos en Lommer, dat de sociale stijging in de Kolenkitbuurt impliceert dat men juist de wijk uit gaat. Dat geldt voor bewoners maar ook voor professionals. Opbouwwerkers die "de buurt uitpromoveren" en bewoners die verhuizen als zij de kans krijgen. Je zou kunnen zeggen dat het dus goed gaat met de aanpak in de krachtwijk Kolenkitbuurt Amsterdam. Beleidsadviseurs en bestuurders die zich baseren op de feiten en cijfers constateren dat ieder "uitstromend" gezin met laag inkomen onherroepelijk een verbetering van de gemiddelde score op de lijstjes van indicatoren betekent. Ook de nieuwbouw voor middeninkomens laat de Kolenkitbuurt beteren scoren. Tenminste, als je de buurt bekijkt als werkeenheid en je niet te veel verdiept in vragen als waarom welzijnswerkers vertrekken, waar bewoners terecht komen..

In krimpgebieden verhuizen mensen als zij de kans krijgen. Ondanks sociale netwerken en structuren, er moet ook simpelweg geld verdiend worden. Weert heeft te maken met vergrijzing, huishoudensverdunning en ziet een toenemend aantal nieuwe huishoudens komen, uit de regio maar ook uit Parkstad Zuid-Limburg. Werken in booming Brabant of nog verder, wonen in de Poort van Limburg, het laatste stukje echt Limburg. Weert profiteert door de gunstige ligging en het aantrekkelijke suburbane karakter van de verhuizingen uit o.a. Hoensbroek Heerlen.

Omdenken in krimpgebieden betekent dan ook accepteren dat er mensen vertrekken. Hier is een spannend moment voor bestuurders en beleidsmakers: in hoogstedelijke gebieden als de Kolenkitbuurt in Bos & Lommer Amsterdam komt het wel goed uit dat de bewoners (en professionals) de wijk uit stijgen. En in krimpgebieden? Sociale stijging betekent ook daar meer kansen en mogelijkheden om te vertrekken. Betere opleiding of eerste stappen op de arbeidsmarkt zetten daarmee de deur open om het gebied uit te stijgen. Dat is goed voor de mensen zelf, de sociale stijgers, maar een drama voor het krimpgebied.

Ofwel, niet alleen moet je in krimpgebieden het doen met de mensen die er zijn, accepteren dat er niemand bij komt. Maar ook dat interventies en sociale stijging voor de inwoners vooral betekent dat zij kansen krijgen om weg te gaan. En dat vervolgens ook doen.